Photoshop en zo

Posted on

Ja, verreweg de meeste van mijn foto’s worden nabewerkt. Het is maar dat je het weet. Oftewel: ik besteed nog de nodige tijd thuis achter de computer om kleur, contrast licht en donker te optimaliseren en om dat naar voren te halen wat ik in het tafereel ‘zie’, als ik op de ontspanknop druk. Ik wil zelfs zo ver gaan om elementen te verwijderen als die storend zijn in de compositie. Denk dan aan overhangende takken die in een hoek nog in beeld piepen maar die ik niet kan vermijden bij het maken van de foto. Of zelfs een lichtmast die te veel aandacht vraagt.

Maar het belangrijkste is dat optimaliseren van licht, kleur en contrast. Het hoort er bij. In 2014 ben ik overgestapt op een fullframe-camera. Dat wil zeggen dat de sensor die het plaatje vangt, net zo groot is als een beeldje van een klassieke kleinbeeldfilm. Zo groot als een negatief of dia dus, voor wie zich dat nog kan herinneren. Dat zijn de grootste sensors die nog voor een normale prijs te krijgen zijn.

Reden: een grotere sensor legt de beeldinformatie beter en vollediger vast. Maar je moet achteraf wel wat meer moeite doen om die info zichtbaar te maken. Want dat is de grap: als ik de foto’s uit mijn camera niet zou nabewerken, zouden ze er net zo uit zien als van een kleinere, goedkopere camera. Loop ik voor niets met zo’n monster te slepen.

En voor de goede orde: ook de kleinere sensors zijn waanzinnig goed geworden. Vaak is het genoeg. Maar als je de techniek hebt om een kleine sensor beter te maken, weet je ook hoe dat met een grote sensor moet. Uiteindelijk is een grote sensor daarom altijd beter.

Meestal maak ik opnamen in RAW. Dat betekent dat alle info rechtstreeks, ongefilterd en volledig van de sensor naar de geheugenkaart wordt geschreven. En bij het maken van de foto ben ik daarom vooral bezig om de beeldinformatie zo goed en bruikbaar mogelijk vast te leggen. Met mijn voorliefde voor luchten en wolken, betekent het daarom dat de luchten goed zijn belicht en grote delen van de foto te donker. Dat is achteraf goed te corrigeren. Maar als de lichtste delen te licht zijn, is daar niets goeds meer van te maken. Hoort inmiddels dus een beetje bij mijn stijl.

Zoals ik aangaf in de eerste alinea heb ik het uiteindelijke plaatje ook wel min of meer in mijn hoofd zitten zodra ik op de ontspanknop duw. Maar het duurt dan nog even voordat ik het in volle glorie ook echt voor mijn neus zie.

Er zijn mensen die vinden dat nabewerken niet mag en dat alles in de camera moet gebeuren. Maar dergelijke fundamentalisme is aan mij niet besteed.

Vroeger, in de tijden van film (zei opa) had je drie duidelijk afgebakende stappen. Die ik overigens ook alle drie heb geleerd tijdens mijn opleiding.

1 Het belichten van de film: het werken met de camera. Goed belichten, eventueel een kleurfilter.

2 Het ontwikkelen van de film: chemisch proces waarbij de belichte film wordt omgezet naar het negatief. In principe kan je daar bijvoorbeeld een bepaalde kleurtoon meegeven. Minder gebruikelijk in fotografie, maar bij het ontwikkelen van speelfilms is het vanwege dat soort dingen een belangrijke fase. Zenuwslopende fase ook want als het mis gaat heb je niets.

3 afdrukken van de foto: fotopapier belichten via het negatief. Je kan hier nog zoveel. Je kan stukken van de foto meer of minder belichten en in het ergste geval moet je van zwart papier malletjes knippen om delen af te dekken. Met de keuze voor fotopapier en soms kleur van het licht waarmee je het papier belicht kan je ook nog wat contrast in de foto toevoegen of juist verzachten. (Bijvoorbeeld met het Ilford Multigrade systeem. Dit voor de kenners) Veel gedoe daarom.

Dat bewerken werd dus altijd gedaan en het is niet per definitie fout, misleidend of oneerlijk. Fase 2 en 3 zijn voor veel mensen echter niet bekend, want ze brachten hun foto’s naar de fotograaf of de Hema. Nu, in de digitale tijd, kunnen we het makkelijk zelf. Geen gedoe met chemicaliën of geknutsel met zwart papier. Programma’s als Lightroom en Photoshop lijken daarom moderne extra’s ten opzichte van vroeger, maar zijn het niet.

Het grootste verschil met analoog is eigenlijk dat er geen duidelijk afgebakende stappen meer zijn. Stap 2 bestaat eigenlijk niet meer. En stap 3, wat dus nu stap 2 is, kan je laten samenvallen met stap 1, afhankelijk van de instellingen van je camera. En dat kan uiteraard handig zijn als je een deadline hebt. Maar iemand die vindt dat nabewerken absoluut niet mag, omdat dat ‘niet echt’ is, is een aansteller.

Dat wil zeggen: ik snap nut, noodzaak en sport van die aanpak want ik gebruik het zelf ook wel als ik bijvoorbeeld foto’s maak van de Venloop, een carnavalsoptocht of tijden Deventer op Stelten. Maar om jezelf daarom beter te achten als anderen…. (die types zijn er echt).

Het mooiste van de digitale fotografie is nu net dat je al die toegankelijke mogelijkheden hebt om het beeld te maken zoals jij dat wil. En mogelijkheden zijn er om gebruikt te worden.

Peter

 

Meer foto’s kijken?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *